Belgisch Centrum voor Geleidehonden vzw

Aankoop of kweek

Vooraleer het Belgisch Centrum voor Geleidehonden een pup opneemt in haar opleidingsschema moeten de instructeurs en de dierenarts eerst het één en ander weten, niet alleen van de pup, maar vooral van de ouderdieren.

Het gedrag van een hond is voor een deel erfelijk bepaald. De ouders dienen zorgvuldig geselecteerd. De kans op goede puppy’s moet zo hoog mogelijk zijn.

Men laat de hondjes opgroeien in een ideale omgeving: prikkelrijk en stimulerend.

De hond zal later een evenwichtig en sociaal dier zijn. Dit heet domesticeren.

Bij de selectie bij kweek of aankoop houden we tevens rekening met de fysieke gezondheid van de dieren. Wij doen hiervoor een beroep op specialisten in de diergeneeskunde. Alle dieren worden gecontroleerd op erfelijke aandoeningen. Een stamboom is daarom onontbeerlijk. Zo zullen we de resultaten opvragen van de ouderdieren wat betreft erfelijke aandoeningen: orthopedische aandoeningen(heupdysplasie, elleboogdysplasie, schouderosteochondrose), oogziekten (cataract, netvliesaandoeningen), huidziekten (o.a. atopie) enz....

Verder worden ze nauwgezet gevolgd door onze dierenartsen die ze de nodige medische zorgen toedienen.

Een hond binnen het kweekschema van het BCG is pas geschikt voor de kweek als hij ook geschikt zou zijn om opgeleid te worden. Met andere woorden: de perfecte geleidehond zou ook een perfecte kweekhond zijn.

Bij het beoordelen van honden houden we o.a. rekening met volgende eigenschappen:

  • Fysieke en mentale kenmerken
  • De hond moet bestand zijn tegen slechte weersomstandigheden en hij moet lange wandelingen aankunnen.
  • Ingesteldheid: leergierig, gevoel voor verantwoordelijkheid, flexibel.
  • Gevoeligheid: zowel de mentale, auditieve als lichamelijke gevoeligheid moet goed uitgebalanceerd zijn.
  • Overgevoeligheid kan o.a. leiden tot overdreven reacties en stress. Met overgevoelige honden is het zeer moeilijk om gewenst gedrag te bekrachtigen of ongewenst gedrag te negeren of te straffen.
  • The will to please: de hond beleeft er plezier aan om de mens te behagen. Pas dan zal de hond zijn geleidewerk graag en vooral “blijven” doen.

Het dier dat aan deze voorwaarden beantwoordt, krijgt in het BCG een belangrijke rol toebedeeld.

De ervaring heeft aangetoond dat slechts weinig honden geschikt zijn. Iedere potentiële geleidehond is een investering in tijd en geld. Het is daarom dat wij in het begin heel veel van onze honden hebben aangekocht bij GDBA (Guide Dogs for Blind Assotiation) . Zij kijken immers terug op meer dan 60 jaar ervaring. Inmiddels betrekken we onze honden uit o.a. het Verenigd Koninkrijk en goed kweekmateriaal uit Nederland en België. Een eigen BCG-nestje bij onze pleeggezinnen behoort ook tot de mogelijkheden. 

De honden die we gebruiken zijn voornamelijk Labradors, Golden Retrievers en de kruising tussen deze beide rassen. Bepaalde herdershonden en Koningspoedels zijn eveneens geschikt.

Training

Als de hond ongeveer een jaar oud is, komt hij van bij het pleeggezin terug naar het opleidingcentrum waar de eigenlijke opleiding zal beginnen. De eerste weken moet de hond de kans krijgen om te wennen aan de nieuwe omgeving en zich een plaats weten te verwerven binnen de roedel van honden op het opleidingscentrum. Een hond die opgeleid wordt tot geleidehond moet gewoon zijn aan veel verschillende situaties, geluiden en indrukken uit het dagelijkse leven. 

Tijdens de puppydagen in het eerste levensjaar van de hond hebben de trainers ook de kans gekregen om elke jonge hond regelmatig te zien en op te volgen. Ze hebben ook gezien hoe het karakter van de hond zich ontwikkeld heeft.

De instructeurs zullen op basis van de gedragskenmerken van de jonge hond de basiscommando’s en controle verder inoefenen. Door verschillende oefeningen leren de honden dat ze geduldig en gericht naar het baasje moeten zijn. Deze eigenschappen zullen ze immers ook nodig hebben in hun later leven als geleidehond. 

De hond wordt geleerd om op een correcte manier aan de leiband te lopen, met de juiste spanning in de leiband - op de juiste plaats ten opzichte van de instructeur - op de juiste plaats ten opzichte van de omgeving.

Hij moet zich langzaam inleven in het feit dat hij een geheel gaat vormen met zijn begeleider. De mens wordt als het ware een verlengstuk van het lichaam van de hond. De leiband is de verbinding. Later wordt de leiband vervangen door het harnas. Het is pas als de hond zich bewust is van deze eenheid dat obstakels worden vermeden. 

Oriëntatie is een belangrijk gegeven voor een visueel gehandicapte persoon. Daarom leert men de hond bijvoorbeeld om een straat recht over te steken. Hij moet bij elke straat die hij tegenkomt netjes de stoeprand aangeven. Elke afstap moet aangegeven worden, zodat de geleidehondgebruiker dit kan inschatten. Wanneer de slechtziende of blinde gebruiker , na de afstap, voelt en hoort dat het veilig is, geeft hij het ‘forward’ commando. Aan de andere kant wordt hetzelfde herhaald voor de opstap. Deze handelingen worden door de trainers geënsceneerd tijdens de training. 

De hond reageert enkel op verbale commando’s. Hierbij is het stemgebruik uiteraard van groot belang. De geleidewerkcommando’s worden in het Engels gegeven.  De hond zal dus enkel van richting veranderen als het hem gevraagd wordt. 

De hond draagt bij de training van het geleidewerk steeds een harnas. Dit is de typische uitrusting van een geleidehond. Door middel van het harnas heeft de blinde persoon contact met het dier. Het is géén instrument om de hond te sturen, maar wel om te voelen in welke richting de geleidehond zich voortbeweegt. 

Een geleidehond in opleiding moet bij obstakels initiatief leren nemen. Hij moet bepalen welke kant het veiligst is om zijn blinde baas op zijn verdere weg te brengen. De hond bepaalt dus zelf welke weg er genomen wordt.

Bij een obstakel op het voetpad moet de hond de geleidehondgebruiker soms even van het voetpad afbrengen en zo de openbare weg op gaan. De hond moet hierbij netjes de stoeprand aangeven om zo de blinde persoon  te informeren.  Hij laat de blinde persoon voelen dat er geen gevolg kan gegeven worden aan het bevel. Na het obstakel zal de hond zo snel als mogelijk terug het voetpad op gaan, zodat ze zich zo kort mogelijk op de openbare weg begeven. De hond moet initiatief kunnen nemen! 

Het vermijden van obstakels moet gebeuren zowel op hoogte van de hond als op hoogte van de mens. Voor hoogteobstakels (overhangende boomtakken, luifels...) moet de hond zich dus één voelen met de blinde persoon. De hond wordt plots 2 meter hoog en 1 meter breed.

Bevelen moeten steeds opgevolgd worden, tenzij ze niet uitvoerbaar zijn of het leven van de blinde persoon in gevaar brengen.

Een voorbeeld:

Een straat mag slechts overgestoken worden als de weg vrij is.  De kleur van het verkeerslicht speelt hier geen enkele rol.  De geleidehond moet het aankomend verkeer kunnen inschatten.  De hond zal bij gevaar het bevel tot oversteken desnoods weigeren uit te voeren. Een zéér moeilijke klus. 

In een winkel moet de hond zich rustig, braaf en kalm houden, zodat het team niet stoort voor anderen.

Bij het naderen van een trap zal de hond aan de eerste trede stoppen en zal de hond geblokkeerd voor de geleidehondgebruiker gaan staan. Als er een leuning is, gaat de hond deze aangeven. Zodra de blinde persoon de leuning vast heeft, gaat de hond naar beneden. De laatste trede zal de hond aangeven door met zijn beide poten op deze trede even te stoppen.

De geleidehond in opleiding krijgt vaak zoekopdrachten bv. aangeven van bushalte, stoel, postbus, deur… Dit zijn allemaal positieve spelletjes voor de geleidehond die door de instructeur beloond worden met een koekje. 

De geleidehond moet andere geleidehonden en honden op straat volledig negeren en neutraal in houding blijven terwijl hij aan het werk is.

Andere voetgangers, kinderwagens, winkels, … krijgen ook geen aandacht van hem. 

Obstakels worden in de opleiding zoveel mogelijk opgezocht. Er wordt gezocht naar zo veel mogelijk en verschillende obstakels zodat de hond deze leert kennen en hier vertrouwd mee wordt. In zijn toekomstig werk zal hij alle opgedane kennis dan kunnen toepassen. 

De opleiding is tevens een doorlopende beoordeling van de kwaliteiten van de toekomstige geleidehond. De instructeur krijgt een beeld van het karakter en schat de capaciteiten van het dier in. Op elk moment in de opleidingsfase kan de instructeur beslissen om de hond af te keuren, indien hij niet geschikt is voor de job.  Het opleiden van blindengeleidehonden vergt veel geduld, maar vooral een goede organisatie en voorbereiding van het hele proces. Het is een aaneenschakeling van elementen waarbij elk element van belang is. Is er een schakel die uit de keten ontbreekt of niet naar behoren functioneert kan er geen goede geleidehond afgeleverd worden. 

De training neemt tussen zes tot tien maanden in beslag. Dan gaat men over tot het zoeken van de juiste combinatie mens - hond(de matching).